 |
Geschiedenis van de Beemster
De eerste grote droogmakerij uit het prille begin van de zeventiende eeuw
Aan het einde van de vijftiende eeuw vormde het Beemstermeer, samen met de omliggende
grote en kleinere plassen in midden Noord-Holland, één reusachtig
brakwaterbekken, dat op een aantal plaatsen in open verbinding stond met de Noordzee en
de Zuiderzee. Deze situatie was het resultaat van verscheidene oorzaken, waarbij de
activiteiten van de mens de voornaamste rol speelden.
Het grote veenmoeras, dat zich bij het begin van onze jaartelling achter een gesloten
duinenrij over heel Noord- en Zuid-Holland uitstrekte en van waaruit tal van riviertjes
(waaronder de Bamestra) het overtollige regenwater afvoerden, had in de loop der
middeleeuwen grote wijzigingen ondergaan. Enerzijds door de steeds rijzende zeespiegel en
anderzijds door de uitgebreide veenontginningen voor brandstof en zoutwinning, naast een
verlaging van het binnenwaterpeil door verbeterde afwatering, het maken van sluizen en
kaden en ontsluiting van de veengronden voor landbouw en veeteelt.
In de loop van de zestiende eeuw was door inklinking het maaiveld in heel Holland zo laag
geworden, dat men zich steeds meer moest beschermen tegen het opdringende zeewater. Het
omdijken van het gebied, het afsluiten van de open zeegaten en het onderhouden van een
netwerk van polderkaden met sluizen en molentjes was dan ook bitter noodzaak. In dit
wankele evenwicht vormden de grote diepe meren een ware bedreiging. Zeker wanneer bij
stormen grote stukken oeverland werden weggeslagen. Dat onder die weggespoelde of
vergraven veenlanden vruchtbare zeeklei lag, was ook allang bekend en veel kleine meertjes
waren al drooggemaakt en ontgonnen.
Voor het 'grote werk' echter was de tijd pas rijp aan het einde van de zestiende eeuw door
een samenloop van omstandigheden. In de eerste plaats was er een enorme kapitaalsvlucht
naar onze streken op gang gekomen door de komst van een groot aantal rijke kooplieden uit
de Zuidelijke Nederlanden. Gevlucht voor godsdiensttwisten en onzekere economische
vooruitzichten aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), hadden met name veel
Vlaamse kooplieden en handelshuizen zich gevestigd in Amsterdam, waar zij met hun kapitaal
ook een stuk handelskennis en welvaart brachten. Er was echter naast kapitaal en
ondernemingslust ook een politieke invloed in de machtige Staten van Holland en
Westfriesland nodig om alle bestuurlijke klippen te omzeilen, welke de droogmaking van
de grote meren in midden Noord-Holland in de weg stonden.
Technische kennis was er in overvloed. Bekwame land- meters, waterbouwkundigen,
molenmakers en ingenieurs bestreden elkaar met de meest futuristische en vaak
tegen- strijdige plannen. In dit gezelschap was
Jan Adriaenszoon Leeghwater
(1575-1650) zeker niet één van de minste. En hij had, als geboren
Rijper, juist een grote kennis van de om- liggende meren. In ieder geval werd hij door
de bedijkers van de Beemster aangesteld als meestermolenmaker en opzichter over al
het technische werk.
Deze bedijkers van het circa 7.200 hectare grote Beemster- meer vormden een
belangrijk gezelschap. De op 14 april
|
|

Borstbeeld van Jan Adriaensz Leeghwater
voor het voormalige raadhuis in Midden-
beemster. Foto Marjon Slot.
|
1607 te Den Haag voor dit doel opgerichte compagnie van
vijftien leden bestond voor het grootste deel uit Amsterdamse kooplieden en de rest uit
de kringen van de hoogste gezags- dragers in de Staten van Holland en Westfriesland. Dit
politiek en economisch invloedrijke gezelschap zag kans om binnen 27 dagen het omvangrijke
'octrooi' op hun onderneming door de Staten verleend te krijgen! Tot de belangrijkste
initiatiefnemers behoorden ook de gebroeders Dirck en Hendrick van Oss, de gebroeders
Cromhout, Pieter Boom en Rombout Hogerbeets. Het grote werk in 1607 begonnen, vond een
ontijdig einde toen twee jaar later tijdens een stormvloed de Waterlandse zeedijk op
verscheidene plaatsen doorbrak en het instromende zeewater ook de juist drooggevallen
Beemster weer overspoelde. Men begon toch weer met nieuwe moed en de nodige verbeteringen
aan molens en ringdijk, zodat andermaal het water werd 'uitgeslagen' en in 1612 de
droogmakerij een feit was. Op precies te zijn op 19 mei.
 |
Kaart van de Beemster, omstreeks 1717.
Rechts van de windroos ligt Schermerhorn, in de hoek linksonder ligt Purmerend. De
symmetrie van de vierkanten vindt zijn oorsprong in de renaissance en is ontleend
aan de classicistische architectuurtheorie.
|
Op 4 juli 1612 bezochten de prinsen Maurits en Frederik Hendrik het nieuwe land
en werden ze op een maaltijd onthaald in een daarvoor speciaal gebouwde tent in
Middenbeemster. Zij werden daarbij aan tafel bediend door Jan Adriaensz, die dat -zoals
hij zelf schrijft- een hele eer vond.
Bron: 15e Gids voor de Beemster 1998,
uitgave Drukkerij Hoogcarspel Beemster BV,
in samenwerking met de Gemeente Beemster, Middenbeemster, 1998.
|